DIRK VEENENDAAL: RAS-AMSTERDAMMER UIT GELDERLAND
laatst aangepast: 7-11-2016; contact e mail dckruis at zeelandnet.nl

1.Intro
2.Veenendaal
3.Wie was Willemijntje?
4.Willem, de metselaar
5.George Ernst, de bleker
6.Dirk, de verhuizer
7.De winkel Veenendaal-Branderhorst

Stamboomgegevens

TERUG


1942

 

1.Intro

Opa Dirk Veenendaal meestal met zijn onafscheidelijke sigaar gezeten in de leunstoel bij het raam aan de Catskade. Bij zijn overlijden kregen we een boek als aandenken. Een van die boeken was het net uitgekomen 'Brief aan de Koning' van Tonke Dragt. En dat boek inspireerde weer tot de naam van onze zoon. Je zou kunnen zeggen dat dat een moderne en ingewikkelde manier is van 'vernoemen', heel iets anders dan mijn vernoeming naar mijn opa: ik heet gewoon Dirk. Opa Veenendaal was een echte Amsterdammer; hij hield van die stad en woonde er het grootste deel van zijn leven. Maar het was niet zijn oorsprong en de rest van de familie had niet zo veel met Amsterdam. Natuurlijk, de naam zegt het al, we moeten terug naar Veenendaal. Veenendaal met 2 "e's", maar het is goed opletten want soms valt er in de familie weleens een 'e' af en dan is het ineens Venendaal.

2.Veenendaal

1549 is in de 20e eeuw gedoodverfd als het jaar, waarin het dorp Veenendaal is ontstaan. Gelet op de feiten uit de voorliggende jaren lijkt dit een redelijke veronderstelling. Er is in dit jaar een grote menigte van mensen verzameld in de venen. Honderden seizoen-arbeiders, gravers van kanalen en van turf, zijn er ondergebracht in plaggenhutten en boeien. Maar er zijn ook 'ordineerders' en 'dirigeerders', opzichters, betaalmeesters, factoors, die geen genoegen zullen hebben genomen met plaggenhutten en voor wie zeker betere onderkomens zijn gebouwd op plaatsen waar dat mogelijk was. En al die mensen moeten van voedsel en drank worden voorzien, dat, zolang het hier nog niet kan worden geproduceerd, van buiten moet worden aangevcoerd. Dit maakt een soort van distributie-apparaat met waarschijnlijke een zondagsmarkt noodzakelijk, wat op zichzelf ook weer mensen aantrekt. Er komen handelaren en ambachtslieden en in deze in hoofdzaak mannengemeenschap ontstaat - het kan gewoon niet anders - behoefte aan kroegen en - waarom niet - aan vrouwen. Het lijkt niet waarschijnlijk dat al deze mensen in het winterseizoen weggetrokken zijn om in het vroege voorjaar weer terug te komen; velen zullen hier ook overwinterd hebben.
Aldus beschrijft D. van Manen het ontstaan van Veenendaal. Om dan een kanttekening bij het exacte jaartal te zetten...
..wanneer kan men zeggen dat er een dorp is ontstaan? Bepaald niet bij een eerste-steen-legging op een fraaie zomerochtend tegen elven. Integendeel, er is een proces van gebeurtenissen aan de gang en ergens in de voortgang van allerlei activiteiten heeft men geconstateerd: daar is een dorp ontstaan.

Toch komen we de naam Veenendaal in geschreven vorm pas voor het eerst voor in 1566. Het symboliseert ook iets van de 'eigenzinnigheid' van Veenendaal. Want juist in het jaar van de beeldenstorm wordt op 1 mei (!) de roomskatholieke Salvatorkerk plechtig gewijd; misschien wel de laatste roomskatholieke kerk die voor de reformatie boven de grote rivieren is gebouwd. De wijding wordt vastgelegd in een oorkonde waarin staat 'ecclesiam in Venendael'. Kort daarop wordt het nog vijfmaal gebruikt in het veenregister; kennelijk is er sprake van een bewuste naamkeuze en misschien wel een vorm van promotie.

De naam 'Veenendaal' is treffend gekozen. Het hoogveengebied van de Gelderse Vallei is daadwerkelijk een 'veendal'. De Bisschop Davidsgrift (grift=gegraven kanaal) verbond het veengebied met de Kromme Eem en de Rijn bij Wageningen. Deze liep tot de Grote Veenlo, (later De Vendel) een hoogte in het veengebied dat ook een waterscheiding was. Bij deze hoogten - de Groote en de Kleine Veenlo - ontstond het dorp Veenendaal. Bovendien was hier sprake van een zijtak naar het noorden, de Boveneindse Grift. Het gebied ten westen van Grote Veenlo werd via de Schoonbeekse Grift ontsloten naar de Eem. Tussen beide griften bestond evenwel geen verbinding.

De drassige vallei waarin het latere Veenendaal lag was een geisoleerd en waarschijnlijk onbewoond gebied. De belangrijke oost-west routes liepen ten noorden en ten zuiden van dit gebied. Dit onbewoonde gebied vormde dan ook haast vanzelfsprekend de grens tussen het Sticht en Gelre. De Kromme Eem markeerde de grens en met het graven van de Grift werd dit ter hoogte van Veenendaal de grens tussen het Sticht en Gelre. Zo ontstond van meet af aan een Stichts Veenendaal en een Gelres Veenendaal.


Prent van J.de Beijer, Veenendaal ca. 1750

Waarom gaat iemand als achternaam Veenendaal aannemen? Los van willekeur zijn daarvoor drie aannemelijke redenen. Men doet dat in de tijd van het ontstaan van de nederzetting om naar buiten zijn/haar identiteit en woonplaats aan te duiden. In een latere periode kan het zijn dat men die naam juist aanneemt als men niet meer in Veenendaal woont maar daar oorspronkelijk vandaan komt. En tenslotte is het denkbaar deze naam aan te nemen als men op een plek woont waarvan het twijfelachtig is of het bij Veenendaal hoort en men door de naamkeuze aangeeft daarbij te willen horen. Het Meertensinstituut dateert de naam Van Veenendaal voor het eerst in 1626; de naam (Berend) Veenendaal komt voor het eerst voor in 1692. Van Manen noemt in 1709 ene Arnoldus Veenendaal, een Amesfoorter die zich in Veenendaal vestigt met een zijdespinnerij; in 1733 vindt hij ook een Berend Veenendaal die een handeltje begint in zwartlakense rouwmantels. In de 2e helft van de 18e eeuw zijn er meerdere families in Veenendaal en omstreken bekend die die naam dragen. Het is aannemelijk dat de naam niet van één stamvader afkomstig is maar dat er meer personen hetzelfde idee over hun naam hebben gehad. Zeker is in ieder geval dat deze naamgeving al ruim voor de Franse tijd in gebruik was.

Hoewel de ontstaansgeschiedenis van Veenendaal alles te maken heeft met veenontginning is het hoogtepunt daarvan al gauw voorbij. Want al in de 18e eeuw liep het werk in de venen sterk terug en ontstond er in Veenendaal een belangrijke textielnijverheid met als basis het wolkammen en sajetspinnen. Uiteindelijk is daar de alom bekende Scheepjeswolfabriek uit voortgekomen. Zo rond 1810 telde Veenendaal zo'n 3100 inwoners; ca. 2000 in Stichts Veenendaal en ca. 1000 in Gelders Veenendaal. Liefst 30-40% van de gezinshoofden was werkzaam in de textielnijverheid, nog eens zo'n 30% in andere vormen van nijverheid terwijl de landbouw en de losse arbeiders maar zo'n 5 resp 6% telden. Tegen deze achtergrond is het logisch dat Veenendaal al vroeg een dorp van 'fabriceurs' werd genoemd. Al met al kun je de Veenendaler historisch gezien karakteriseren met de termen "eigenzinnig" en "ondernemingsgeest".

 

3.Wie was Willemijntje?

We schrijven 11 februari 1810 als ene Willem Veenendaal in de gemeente Ede wordt ingeschreven in de nieuwe burgerlijke stand die door de Franse bezetters is ingevoerd. De vader is onbekend en zo krijgt Willem de achternaam van zijn moeder Willemijntje Veenendaal. Onbekend is waar in de gemeente Ede deze Willem en moeder Willemijntje precies woonden; was het het dorp Ede of een buurtschap of was het Gelders Veenendaal?
In de burgerlijke stand wordt Willem ingeschreven als een 'onwettig' kind. Nu was dat in die tijd op zichzelf niet zo ongewoon; er is zelfs sprake van een sterke toename van 'onwettige' kinderen in de periode 1750-1850. Vaak ging het om kinderen geboren van stelletjes die nog niet getrouwd waren. Soms min of meer expres want een huwelijk was vooral een zakelijke aangelegenheid en het was goed te weten of de vrouw vruchtbaar was. En soms minder opzettelijk omdat er domweg nog geen geld of huisvesting was om te trouwen. In die gevallen werden die kinderen bij een later huwelijk dan 'gewettigd' en gaf de vader in kwestie aan dat hij de vader was. Zwangere en ongetrouwde vrouwen deden er ook vaak alles aan om hun verleider alsnog te strikken voor een huwelijk want het toekomstperspectief voor een ongetrouwde moeder was niet rooskleurig, vaak mikpunt van spot en het leidde vaak tot de vicieuze cirkel van werkloosheid en armensteun. Veel vrouwen verhuisden ook naar de stad om hun familie de schande te besparen en de zwangerschap voor hun directe omgeving te verbergen.
We weten nog maar heel weinig van Willemijntje. Wellicht dat diepgaander archievenonderzoek nog het nodige aan het licht brengt.
Willemijntje was een alledaagse en veelvoorkomende naam. In de 'Index op de dopen en geboorten 1715-1812' van Ede komt op de lijst buitenechtelijke kinderen ene Wilm van de Vendel voor (exact dezelfde geboortedatum 11-02-1810) met als moeder Willemientje Veenendaal. Waarschijnlijk gaat het om onze Willemijntje. Wat de naam 'van de Vendel' dan betekent is weer een vraag. Is het alleen een - overigens veelvoorkomende - verschrijving? Verwijst het toch naar de naam van de vader? Of duidt het op de buurt 'Van de Vendel', de vroegere Grote Veenlo in Veenendaal?



oude Kerk te Ede

Zoekend naar de achtergrond en eventuele ouders van Willemijntje is er ook geen eenduidigheid. Als we de eerder genoemde index raadplegen biedt het gezin van Willem Veenendaal en Elsje Corneliszen de grootste trefkans. Als 4e van de 6 kinderen wordt in 1781 een Willemina geboren; wellicht onze Willemijntje (geboortedatum 9 februari 1781) die dan later haar zoon naar haar vader vernoemd? Misschien is die vader haar ook wel blijvend tot steun geweest en is de vernoeming een blijk van dankbaarheid? Overigens zijn deze Willem Veenendaal en Elsje Corneliszen op 29 juni 1773 in Velp getrouwd hetgeen kan worden afgeleid aan de binnengekomen attest en het kerkelijk huwelijksboek van Velp. Hun kinderen - te beginnen in 1774 - zijn allemaal in Ambt Ede ingeschreven, dus het ligt voor de hand dat ze vanaf hun huwelijk hier ook woonden. Elsje is een jongedochter, woonachtig en dus afkomstig uit Velp zo meldt het kerkelijk huwelijksboek; Willem is daarentegen een jongeman uit Ede en thans woonachtig in Velp. Kortom: van oorsprong komt Willem toch weer uit Ede. (NB 'Family Search' noemt meerdere keren Willem Veenendaal: een met geboortejaar 'ongeveer 1747 in Ede', een met geboortejaar 'ongeveer 1748 in Ede' (wellicht dezelfde dus) ).
In dezelfde tijd is er ook sprake van een 'booijer Willem Veenendaal te Ede' en een besluit van het Ambt Barneveld - waar Ede aan het begin van de Franse tijd even toe behoorde -om hem een jaartractement van f.15,- te doen betalen. Een 'booijer' was een bode of gezant en verondersteld mag worden dat Willem Veenendaal een bode-functie in Ede had. Het bedrag van f.15 komt in ieder geval exact overeen met de opgave in 1805 van het Ambt Ede over haar dienaren waarin voor 4 ambtsbooiers f.60,- vermeld wordt. Zo'n ambtbooier zorgde voor allerhande zaken en ook voor het onderhouden van contacten en boodschappen met Arnhem of andere omliggende plaatsen. De ambtelijke taken werden gecombineerd met andere bijverdiensten want de genoemde f.15 was onvoldoende als middel van bestaan.

En er zijn nog meer vragen.
Kreeg Willemijntje in 1809 haar onwettige Willem, in 1823 is er in Barneveld ook sprake van een (overigens levenloos) kind van ene Willemijntje Veenendaal (beroep: landbouwster) waarvan de vader onbekend is.
En dan op 31 januari 1838 overlijdt in Ede een Mientje Veenendaal op 59 jarige leeftijd van beroep spinster, dochter van Willem Veenendaal en Elsje Jansen. Dit is onze Willemijntje, zoveel is wel zeker. Maar is deze Elsje Jansen dan dezelfde als Elsje Corneliszen? Het is wel aannemelijk vooral als we bedenken dat de ouders van Elsje Coprneliszen Cornelis Janszen en Catharina volgens de doopboeken uit Velp.

 


4.Willem, de metselaar

Willem werd niet onder een erg gelukkig gesternte geboren. We leven in 1810 in de Franse tijd. Een alleenstaande moeder in een kleine, eenvoudige dorpsgemeenschap als Ede in een weinig rooskleurig tijdsgewricht. Volgens Van der Aa ligt Ede 4 uur van Arnhem, 2 uur van Wageningen, te midden van heerlijke korenlanden, aan den straatweg van Arnhem op Amsterdam, hetwelk dit dorp veel doortogt verschaft. De bevolking vindt het meest hun bestaan in den landbouw, in bijzonder wordt er veel boekweit en rogge gewonnen....Het telt in de kom van het dorp 146 huizen en ruim 1000 inw., en met de daartoe behoorende buurschappen Doesburg, Ederveen, Maanen, Veldhuyzen en Wekerum 415 huizen en ruim 2600 inw. Veel van die inwoners waren kleine boeren. Die woonden op kleine boerderijtjes met een stukje grond dat ze gepacht hadden. In ruil daarvoor moesten ze allerlei klussen opknappen voor hun landheer. Deze keuterboeren probeerden op allerlei manieren wat bij te verdienen. Ze maakten klompen en manden, looiden koeienhuiden tot leer, zaten achter het spinnenwiel om wol of linnen te spinnen etc. Overigens was de wol van de schapen in zekere zin maar een bijprodukt want het wol en het vlees waren niet zo belangrijk als de mest. Maar met de textielnijverheid van Veenendaal vlakbij gedijde ook het spinnen in Ede en omgeving. Behalve boeren woonden veel mensen ver buiten het dorp in hutten. Deze 'huttenlui' hadden het nog moeilijker dan de keuterboeren. Ze bezaten geen grond en konden dus geen voedsel verbouwen. Ze probeerden wat geld te verdienen met het maken van bezems en hadden vaak tijdelijk werk als dagloner.. Heel vaak moest de kerk - de diaconie en armenzorg - ze helpen om te voorkomen dat ze van de honger stierven. En dan waren er de ambachtslieden. De tappers en herbergiers, timmerlieden, de brouwers, de wevers, de bakkers, schoenmakers, kleermakers, vroedvrouwen. Overigens hadden deze ambachtslieden ook altijd ook wel een stukje grond en wat vee. Soms een koe of een schaap en als men wat armlastiger was een geit en kippen. Tenslotte waren er ook mensen van aanzien varierend van de schoolmeester/koster, dominee, chirurgijn tot schout en grootgrondbezitters.

De Franse tijd betekende in economisch opzicht achteruitgang en stagnatie o.a. door internationale blokkades voor handel. Er werd minder verhandeld, er was minder vraag naar wol en textiel, er werd minder gebouwd, kortom een sombere tijd. Heel geleidelijk herstelde de economie zich toen Willem opgroeide.
Toch lukte het Willem om het vak van metselaar te leren, een ambacht dat zeker niet het minste was. Zijn schoonfamilie zal daar een belangrijke rol in hebben gespeeld. Trouwens het is sowieso de vraag of er eerst de familie Van Peursem was - bijvoorbeeld goede kennissen van moeder Willemijntje of grootvader Willem - waardoor Willem zijn partner Catharina vond of dat Catharina de aanleiding vormde voor de keuze van Willem voor het metselaarsvak. In ieder geval is het zo dat vader Van Peursem metselaar was en in zijn kielzog al zijn zonen en dus ook zijn schoonzoon. Kortom er lijkt sprake te zijn geweest van een groot familiebedrijf. Overigens ook een oom van Willem (en zwager van Willemijntje) staat genoteerd als metselaar. Schoonvader George Ernst van Peursem was afkomstig uit Leiden, maar het ziet er naar uit dat hij zich in Ede vestigde bij zijn familie; die naam kwam al in Ede voor o.a. een Johannes van Peursem. Van oorsprong zullen ze echter afkomstig zijn uit de Alblasserwaard ervan uitgaande dat hun naam afgeleid is van de heerlijkheid Peursum aldaar. Misschien verklaart dat ook wel de keuze voor het metselaarsvak en zijn ze van oorsprong betrokken geweest bij de kleiwinning en steenbakkerijen langs de rivieren, die daar in de Middeleeuwen zijn ontstaan.
Een van Johannes van Peursems kinderen, Jan Willem komen we in de Franse tijd ook een korte periode tegen als gemeenteraadslid, kennelijk niet zo 'prinsgezind' als de meeste inwoners van Ede. Bovendien staat dezelfde J.W. van Peursum genoteerd als ontvanger van een vergoeding voor werkzaamheden aan kerk en pastorie van Otterlo en Bennekom. Kennelijk behoorde hij ook tot de Edese metselaarsgilde; het geeft ook iets aan van de werkzaamheden van metselaars in Ede. Uiteraard waren dat herstelwerkzaamheden en nieuwbouw van kerken, landhuizen, boerderijen, maar ook muurtjes (bijv. om het kerkhof) en bruggetjes. Bovendien waren er de nodige werkzaamheden voordat er gemetseld kon worden zoals de aanvoer van stenen door stenendragers. Niet altijd zal dat strikt gescheiden zijn van het ambacht zelf. Al met al was het vaak een intensieve arbeid waarbij men soms lange tijd ver van huis was.
Het is natuurlijk verleidelijk te bedenken of Willem Veenendaal zelf ook gewerkt heeft aan bouwwerken uit de 1e helft van de 19e eeuw die er nog steeds staan zoals herstelwerk aan kerken, het landhuis Kernhem, verschillende huizen en boerderijen die nu een monumentenstatus hebben (bijv. Notaris Fisherstraat 25 of de Engelenhoeve aan de Woutersweg)

 


Notaris fisherstraat 25 ....................................................Engelenhove aan de Woutersweg

Op 5 okt. 1830 riep Koning Willem I de Noord Nederlanders te wapen in verband met de opstand van België. Het betrof de 25-35 jarigen van de rustende mobiele brigade. Willem was toen 20 jaar oud en ontsprong net de dans. Wel leverde Ede haar aandeel en de manschappen keerden gelukkig zonder verliezen pas in de herfst van 1834 terug. Willem moest als 'loteling' in dienst bij de militie maar werd nooit opgeroepen.

Toch bleef Willem uiteindelijk niet in Ede, want uit de burgerlijke stand valt af te leiden dat Willem en Catharina op 31 juli 1839 in Amsterdam trouwden. Willem is dan ca. 29 jaar oud en Catharina 24 jaar. Het is ruim een jaar na het overlijden van Willemijntje, zijn moeder. Was dat misschien de aanleiding voor zijn vertrek? Of waren het de slechte economische omstandigheden die hem naar de grote stad dreven? Het is de vraag want ook in de grote steden was sprake van stagnatie. In de Franse tijd kende Amsterdam zelfs een teruggang in inwonertal. Tussen 1750 en 1850 breidde de stad nauwelijk uit. Binnen de Singelgracht (de ring Nassaukade, Stadhouderskade, Mauritskade) was nog lange tijd sprake van een uitloopgebied in de Plantage. Natuurlijk waren er bouwactiviteiten maar geen grootscheepse uitbreidingen zoals in de 17e eeuw met de grachtengordels of na 1850. Bovendien was de metselaarsgilde van Amsterdam een zelfbewuste bevolkingsgroep met ware meesters. Dat meesterschap valt af te leiden aan de vele architectonische vormen (de tijd van de neo-stijlen). Pikant detail was overigens dat de bouwwijze eenvoudiger was dan tegenwoordig dank zij de mindere kwaliteit mortel en baksteen; in plaats van de zeer harde bakstenen en cement van tegenwoordige gebruikte men kalkmortel en veel poreuzere stenen. Gevolg daarvan was wel dat de muren en gebouwen veel flexibeler waren en moeiteloos verzakkingen en zettingen opvingen.
Het is de vraag of ene Willem uit het Veluwse dorpje Ede zich met de elite van meester metselaars kon meten en mee mocht bouwen aan bijvoorbeeld aan het eerste station als vertrekpunt van de treinen naar Haarlem, station Willemspoort dat in 1842 werd gebouwd. Of misschien werkte hij als knecht-metselaar. Wel woonde hij omstreeks 1842-1945 aan de Middelstraat 72 (thans Vinkenstraat) parallel aan de Haarlemmerstraat en vlakbij die Haarlemmerpoort dus onmogelijk is het zeker niet dat hij daar 'zijn steentje aan heeft bijgedragen'. In ieder geval was het een dynamische buurt met veel ambachtelijke bedrijfjes.Overigens hebben Willem en Catharina hier niet steeds gewoond. Bij zijn huwelijk in 1839 woonde Willem aan de 2e Weteringdwarsstraat 71 en in 1847 aan de Heiligenweg 17; waarschijnlijk volgde hij gewoon zijn werk dat tenminste op loopafstand van zijn woonadres moest zijn.


Amsterdam 1854

symbool op kaart geeft Vinkenstraat weer

Vinkenstraat rond 1900

 

Catharina is 'dienstbaar' zoals dat zo mooi in trouwaktes heet. Het betekent meestal dat ze als dienstbode werkzaam was en als we de ondertrouwakte goed lezen ergens aan de Herengracht bij de Leliegracht. Misschien is de reeks getuigen bij haar huwelijk daarvan een indicatie; we komen tegen een kleermaker, een zadelmaker, een rijtuigmaker en een sigarenmaker. In de ondertrouwakte staan ze als getuigen van Catharina vermeld en verondersteld zou kunnen worden dat het eerdere werkgevers dan wel relaties vanuit haar werk zijn.

Catharina en Willem krijgen in Amsterdam in de periode 1842-1846 3 kinderen: Gerardina Barta, George Ernst en Carel Gerrit.
Opmerkelijk is dat er naar het zich laat aanzien geen vernoeming is naar de Veenendaalse tak maar vooral naar de Van Peursems; het geeft opnieuw aan hoe nauw Willem met zijn schoonfamilie verbonden was. De later veelvoorkomende naam 'George Ernst' is dan ook afkomstig van de familie Van Peursem.
Over het leven in Amsterdam valt verder slechts te gissen. Ging het op een of andere manier niet goed? Een ongeluk? Cholera of typhus? Of gewoon einde werk? Opvallend is alleen dat Willem in juli 1848 - nog maar 39 jaar oud - overlijdt in Ede, terug op het thuishonk. Meest waarschijnlijk is dat ze door ziekte afhankelijk werden van de familie die vooral nog in Ede woonde.. Catharina blijft in Ede achter met 3 kinderen, de kost verdienend met spinnen, en wellicht gesteund door haar familie. Een jaar later overlijdt haar jongste zoon, amper 2 jaar oud. Nog ruim 40 jaar zal ze als weduwe in Ede wonen voordat ze op 74-jarige leeftijd overlijdt.

 

5.George Ernst Ve(e)nendaal, de bleker

George Ernst is geboren op 20 januari 1845. Het was een zeer strenge winter in 44/45 en in de jaren erna mislukten de aardappeloogsten door het uitbreken van de aardappelziekte. De bevolking leed honger en de voedselprijzen waren torenhoog. In 1846 deed zich dit opnieuw voor. De situatie verergerde door het gedeeltelijk mislukken van de teelt van rogge onder meer door het optreden van roest. Ook de tarweoogst nam onder invloed van een hete zomer en een muizenplaag af tot tweederde van wat normaal was. Dezelfde weersomstandigheden veroorzaakten in laaggelegen gebieden een uitbarsting van koortsen, waarschijnlijk vooral malaria. Bij Koninklijk Besluit werd 2 mei 1847 tot een algemene biddag opgeroepen. In enkele Hollandse steden braken opstootjes uit.
George Ernst groeit met zijn zus Gerardina op in Ede bij zijn moeder en verdere familie. Ongetwijfeld is hij er naar school geweest en heeft het gebrek aan voldoende lesruimte meegemaakt dat in die tijd speelde. De eerste lessen werden gegeven in de toren van de Oude Kerk. Gelukkig heeft George de tijd mee; er is sprake van een ongekende economische groei door industrialisatie en de introductie van kunstmest in de landbouw.
Zus Gerardina is naaister en trouwt met arbeider/houtzager Jan Heijink en blijft in Ede wonen. George Ernst vindt zijn geluk elders in het op ca. 3 uur gaans liggende Renkum. Helemaal onbekend zal het niet geweest zijn want er wonen meer voormalige inwoners van Ede. Als hij 23 jaar is, trouwt hij (1868) daar Hendrina Janssen van der Laak, ondanks de prachtige dubbele naam een dochter van een eenvoudige arbeider uit Heelsum.

5.1.Heelsum eind 18e eeuw

Heelsum is aan het eind van de 18e eeuw nog een in tweëen gesplitste buurtschap van ca. 200 inwoners. Het deel oostelijk van de Heelsumse beek lag in de gemeente Doorwerth. Veel van die gronden behoorden toe aan de heerlijkheid Doorwerth en zijn kasteelheer.Het westelijk deel behoorde tot de gemeente Renkum. We zien bij de familie van George Ernst bij geboorten-, huwelijk en sterfte-akten een wisselend beeld van gemeenten Doorwerth of Renkum. Maar in veel van die gevallen bleef het gaan om de buurtschap Heelsum. In 1923 zijn de gemeenten Doorwerth en Renkum samengevoegd.
Sinds 1700 is Heelsum eigenlijk een klein landelijk industriedorpje als gevolg van de papiermolens en de bloei van de papierindustrie. Maar omstreeks het midden van de 19e eeuw - dus in de periode dat George Ernst zich hier vestigde - was de bloeitijd al lang voorbij. Heelsum ontvolkte en velen zochten hun toevlucht in de tabaksteelt. E.J.Demoed schrijft: "Bij vele bouwmanswoningen langs het beekdal verrezen dan ook grote tabaksschuren en vrijwel het gehele gedeelte tussen de Koninginnelaan en de beek, vanaf de Veentjesbruggen tot aan de boerderij van Janssen (Koninginnelaan 45) werd bewerkt en beplant voor tabaksbouw." Maar na 1879 nam ook de tabaksteelt weer af.
De bloeitijd van de papierindustrie was vooral de 18e eeuw. E.J. Demoed weet te melden - en dat is interessant vanwege de verhuizing van George Ernst op latere leeftijd - dat 'het omstreeks deze jaren is dat vele namen ingeschreven worden van mensen, welke meest uit Vaassen blijken te komen en allen papiermakers zijn'. Telde Heelsum in de bloeitijd van de 18e eeuw nog 8 papiermolens, in 1825 waren het er nog maar 5. Drie daarvan waren van de gebr. Pannekoek nl. de windpapiermolen op Wamels Enk en nog 2 waterpapiermolens (bij de Kerkweg en op de Drieskamp). Op de papiermolens van Pannekoek had men zelfs een sociale voorziening in de vorm van een fonds om daaruit de onkosten van ziekte en begrafenissen te kunnen betalen, aldus E.J.Demoed. De andere 2 molens waren een molen op de Kamp en de watermolen De Veentjes van de familie Schut. Sinds eind van de 18e eeuw is deze molen in bezit van de familie Schut, maar het is vooral Gerrit Schut die de grondlegger is van het bedrijf wat nog altijd bestaat. In 1875 zijn er van de 5 nog 3 papiermolens over en in 1890 resteert zo alleen de papierfabriek van Schut. Een nieuwe industrie die na 1870 opkwam waren de steenfabrieken langs de Rijn.
Nog twee andere ontwikkelingen vormen het decor van het leven van George Ernst in Heelsum. Ten eerste is dat de verdere ontsluiting van het gebied o.a. met een tram. De Ooster Stoomtram-Maatschappij (OSM) legde in de jaren 1883-'87 de stoomtramlijn Arnhem-Oosterbeek-Wageningen - Rhenen - Zeist aan. Bij Heelsum volgde deze tram de Utrechtsestraatweg. Tegelijkertijd ontstond het begin van de toeristische recreatieve sector in de vorm van hotels, pensions en uitspanningen. Een tweede betekenisvolle ontwikkeling ligt op het kerkelijk terrein. Renkum en Heelsum vormden samen één kerkelijke gemeente maar hadden hun eigen kerkgebouw. Voor Heelsum is dat het karakteristieke kerkje op de rand van het beekdal dat in eigendom was van de heer van Doorwerth. Onafscheidelijk daarvan was het schoolhuis; in 1883 werd dit vervangen door het nu nog bekende gebouw Rehoboth, waar ook de kinderen van George Ernst ongetwijfeld meer of minder onderwijs hebben genoten. Het einde van de 19e eeuw wordt gekenmerkt door veel onrust in de Hervormde Kerk wat uiteindelijk leidt tot de kerkscheuring in 1886 (Doleantie) en het ontstaan van de Gereformeerde Kerken. Dat is ook niet ongemerkt voorbij gegaan aan George Ernst en zijn familie.


kaart 1882

5.2. De bleekerij

Ook George Ernst heeft net als zijn vader een ambacht geleerd maar is geen metselaar maar smidsknecht. Dat is niet voor lang want vanaf 1873 - 5 jaar na zijn huwelijk - wordt als beroep opgegeven 'wasscher en bleeker'. Hij is dan verhuisd van de gemeente Renkum naar het aangrenzende Doorwerth. George Ernst zal het beroep van 'klederbleker' meer dan 25 jaar uitoefenen. Ook Hendrina werkt daar later volop aan mee evenals zijn schoonvader en later zijn (schoon)kinderen. Wellicht begint George Ernst bij een bestaande blekerij maar na verloop van tijd heeft hij zijn eigen familiebedrijf.



spoelster in een kleerblekerij

George Ernst werkt in een klerenwasserij, - blekerij. De tijd van de grote linnen- en garenblekerijen was allang voorbij; bovendien lagen die bij de textielnijverheid. Het zachte water van de Veluwe was een belangrijk voordeel want zacht water wast schoner en vergt minder zeep. Kleerblekerijen konden hun klanten soms uit een groot gebied recruteren. Eind 19e eeuw liet lang niet iedereen wekelijks wassen. De rijkere klanten stuurden de was eenmaal in de 3 maanden of half jaar. Het ging dan om bewoners van buitenplaatsen die voldoende kleren in voorraad hadden om het zolang op te sparen. Klanten uit de middenstand hadden die mogelijkheid niet en lieten dus vaker wassen. De klanten moesten over het algemeen zelf het vervoer van de was regelen; vaak ging dit per schip en soms met paard en wagen. De was werd door de eigenaar gepakt in manden of bennen, bekleed met een zak van zeildoek of linnen. Deze bennen, voorzien van een naambordje, werd hoog opgestapeld en vastgebonden. De was van één eigenaar werd tijdens het wassen bij elkaar gehouden; eventueel werd gebruik gemaakt van netten om de boel niet door elkaar te halen. Een wasgang van een week - bij een klein bedrijf zonder gespecialiseerd personeel - kon er als volgt uitzien:
Uitzoeken en sorteren, vuil en minder vuil, wol en bont. Weken en stampen met overvloedige hoeveelheden zeep. Nabehandelen van hardnekkig vuile vlekken. Uitlekken op schragen. Koken in de broeiketel met loog of zemelen. Op berries of veldwagens naar het bleekveld brengen en uitleggen op velden, regelmatig besproeien. Toen begin 20e eeuw de chloorbehandeling haar intrede deed, was dat bleken niet meer nodig. Spoelen, vaak door vrouwen en vervolgens op de schouwtafels nakijken van vuile plekken; eventueel blauwen stijven, winddroog maken, nat toeslaan of droog toeslaan en klaarmaken voor verzending. Mangelen en strijken werd vaak thuis gedaan.

Wasserijen en blekerijen ontstonden in dit deel van de Veluwe op grote schaal aan het einde van de 19e eeuw en namen vaak de plaats in van oude water aangedreven papiermolens. Zo'n verbouwing was relatief eenvoudig; het was voldoende een waskuip (draaiton) te plaatsen die door de waterraderen in beweging werd gebracht. We kunnen deze oudste wasserijen dan ook nog steeds beschouwen als watermolens. Verder konden de hangzolders en droogschuren hun functies blijven vervullen; in plaats van vellen papier kwamen er nu de gewassen goederen te hangen. Zoals gezegd stonden in het dal van de Heelsumse beek ooit vele papiermolens stonden. In 1874 werd de Drieskamp de eerste wasserij. Het is het moment dat de huurder van de molen - ene Jan van Delden getrouwd met Elbertha Pannekoek - naar Vaassen verhuist waar hij de Brinkersmolens koopt; tot 1903 is hij raadslid van de gemeente Epe. George Ernst Veenendaal neemt de gesloopte molen over en begint er zijn eigen bedrijf. Waarschijnlijk is hij kort daarvoor al begonnen bij een andere bleker want kort daarvoor in 1873 noemt George Ernst zich voor het eerst 'bleker' bij de geboorte van een van zijn kinderen. Volgens een oud-Heelsum-kenner zou zijn schoonvader - Hendrik Janssen van de Laak - vlak bij de Drieskamp wonen en al als bleker actief zijn. Zijn schoonvader noemde zich echter nog geen bleker maar arbeider en we kunnen dit dus niet op juistheid toetsen. Maar bekend is wel dat hier ook een brugje was met er vlakbij een stenen trapje door de berm naar de beek om gelegenheid te geven het wasgoed in het heldere water te spoelen en daarna in het gras te bleken en te drogen.

De Drieskamp ligt aan de Heelsumse beek die in die jaren de grens tussen de gemeenten Doorwerth en Renkum markeerde. De oorspronkelijk zuidelijke molen van de Drieskamp lag officieel in de gemeente Doorwerth. Het waren gronden van de heerlijkheid Doorwerth die in erfpacht werden uitgegeven. Dat George Ernst verhuisde van de gemeente Renkum naar de gemeente Doorwerth zou kunnen worden geinterpreteerd als een verhuizing van de arbeiderswoning langs de beek bij de Kerkweg naar De Drieskamp op korte afstand maar wel net over de beek en over de gemeentegrens.
Overigens startte George Ernst zoals gezegd als smidsknecht in Renkum. Enkele kinderen zijn al op jeugdige leeftijd overleden te Renkum. Vlakbij de Heelsumse beek en naast de kerkheuvel ligt al decennialang een smederij, aanvankelijk van W.Frentz en later van Frans Hageman. Het is verleidelijk te veronderstellen dat dit ook een oorspronkelijke werkplek van smidsknecht George Ernst is geweest terwijl hij dus net over de beek in Renkum in een arbeidershuisje woonde waar oorspronkelijk papiermakers in gewoond hadden.

locatie van de blekerij/wasserij De Drieskamp

Gezicht op de Drieskamp, uitgegeven door boekhandelaar (en zoon) Willem Veenendaal


Het gaat kennelijk goed met het blekersbedrijf van George Ernst. Volgens een krantenbericht uit 1887 kocht George Ernst samen met ene G.J. Biesseling de oude en niet meer in gebruik zijnde papiermolen van de fam. Pannekoek. Naar we aannemen gaat het om de nieuwe, zgn. 2e Heelsumse molen die ongeveer aan het einde van de Kastanjelaan was gelegen aan de Kerkweg. Demoed schrijft daarover: "De wind- en watermolen.. was gebouwd in 1709. Ook deze is steeds in het bezit van de fam. Pannekoek geweest. Deze molen kon sinds plm 1835 zowel op wind- als waterkracht werken. Ze droeg de aardige spreuk: Superos si flectere nequeo, Acheronta movebo, hetwelk betekent: Zo ik de hemel niet bewegen kan, zal ik de afgrond beroeren. Deze molen is in 1878 afgebrand en hierop niet meer herbouwd. Volgens datzelfde krantenbericht moest hier een moderne wasch- en bleekerij komen. De Heelsumse beek was wat verlegd en rechtgetrokken ten behoeve van deze intertijd nieuwe Heelsumse papiermolen. Deze omgeleide beek lag in een rechte lijn langs het huidige weggetje met de naam ‘Aan de Beek’. Op zich was het moment van koop niet zo gek; Heelsum was kort daarvoor in 1885 ontsloten door een stoomtram op de verbinding Arnhem-Utrecht. Natuurlijk verwachtte men daar economische impulsen van. Wat overigens nog niet duidelijk is, is of deze nieuwe model-wasch-en-bleekerij betekende dat er sprake was van 2 bedrijven of dat het nooit tot een 'moderne wasch en bleekerij' is gekomen op deze plek.
Kortom dit gebied rond de Heelsumse beek tussen Kerkweg en Utrechtseweg is eind 19e eeuw jarenlang woon- en werkplek van de familie van George Ernst Veenendaal geweest.

 

locatie 1e Heelsumse papiermolen (onder) en 2e Heelsumse papiermolen (boven)
Nieuws van de Dag 21 juli 1887
Heelsumsche stoom-wasch en strijkinrichting; C.Bierens

Het is 18 mei 1900 als het Nieuws van de Dag bericht over een brand bij een wasch- en bleekerij te Doorwerth; er is sprake van bewoning door iemand met de initialen E.J.V. Hoewel dat niet precies overeenkomt met George Ernst veronderstellen we toch dat het om zijn bleekerij gaat. Zoveel blekerijen zijn er niet in Doorwerth en het lijkt te toevallig dat precies na 1900 George Ernst zich geen 'bleker' meer noemt. Dat geldt ook voor schoonzoon Gerardus Renes. Uit de locatie-aanduiding - Doorwerth - moeten we veronderstellen dat het om de blekerij op de Drieskamp gaat en niet om de in 1887 gekochte papierfabriek van Pannekoek. Het is maar de vraag of daar ooit de beoogde 'model-wasch- en bleekerij' is ontstaan. En kennelijk heeft George Ernst na de brand de blekerij op de Drieskamp verkocht waarschijnlijk aan C. Bierens. Overigens noemt zoon Wout Veenendaal zich kort na 1900 nog wel steeds bleker.

 

5.3.Kasteel Doorwerth

George Ernst moet een tamelijk rijk netwerk aan contacten hebben gehad dat verder reikte dan Heelsum en Doorwerth. Overigens is dat voor een vroeg industriële plaats als Heelsum - met een rijke papierindustrie en goede weg-, tram- en treinverbindingen met het westen - niet zo gek. Het is ook niet gek te veronderstellen dat via connecties in de papierindustrie hij in contact kwam met drukkerijen in Amsterdam en op die manier met de familie Wolf waar eerst zijn dochter en later zijn zoon hun partner zocht. Tot zijn klantenbestand zullen ongetwijfeld middenstanders, bewoners van landhuizen en de papierfabrikanten uit het gebied van de Veluwezoom hebben behoord. Wellicht dat zij hun was per schip over de Rijn brachten of per paard en wagen.
En misschien was dus ook het kasteel wel 'klant'. Uiteindelijk lag de blekerij op gronden van de heerlijkheid. Daarom even een uitstapje naar het kasteel. Zonder kasteel is er geen Doorwerth.
De naam van het kasteel stamt al van 1260 en dus heeft het al vele mensenlevens achter de rug als George Ernst in 1868 in Doorwerth komt wonen. De eigenaar, J.A.P. van Brakell van Wadenoijen, is dan al een jaar of tien overleden maar de weduwe Van Brakell bewoont het kasteel o.a. met de oudste zoon Philippe, Frederic Antoine, Jacques Baron van Brakell van Doorwerth. Maar als de weduwe in 1878 overlijdt, is het kasteel onderdeel van een boedelscheiding over de 9 kinderen en het kasteel komt leeg te staan. Baron Van Brakell - tevens burgemeester van Doorwerth - bouwt Huize Doorwerth bij de Boersberg. Als het kasteel inderdaad een belangrijke klant voor de blekerij van George Ernst was, dan betekent dit natuurlijk ook een fikse aderlating hoewel er natuurlijk toch nog altijd wel bewoners, in de zin van toezichthouders en werklieden, achterblijven. Gelukkig zijn er andere positieve ontwikkelingen: industrialisatie o.a. van de papierindustrie, de ontwikkeling van een modelboerderij op de Duno, de ontdekking van Wolfheze als oord voor landhuizen etc.


Baron Van Brakell

poortgebouw en voorburcht

Het kasteel Doorwerth is ook nog op een andere manier verbonden aan George Ernst Veenendaal. Dat komt door de familie Branderhorst.Zij vervullende de functie van sleutelbewaarder, zeg maar concierge en bewoonden de voorburcht van het kasteel. Deze functie hebben zij nog tot ver in de 20e eeuw vervuld. Tot deze familie behoorde ook rijksveldwachter Derk Branderhorst. In 1892 trouwt George Ernst - als Hendrina is overleden - Wilhelmina van Gelder, weduwe van deze Derk Branderhorst. Zij neemt haar 2 kinderen mee, Bert Branderhorst 9 jaar oud en Sijs Branderhorst 7 jaar oud, die opgenomen worden in het grote gezin van George Ernst. Kortom het is wel zeker dat er al langer contacten waren met 'het kasteel'.

 

5.4. De koopman en de kerk

Eind 19e eeuw en vooral het eerste decennium van de 20e eeuw zien we in de omgeving van Heelsum steeds meer nieuwe landhuizen, vooral langs de Utrechtsestraat. Ook worden er meer woningen gebouwd vooral door particuliere ontwikkelaars. Soms ging het om landhuizen en woningen voor eigen gebruik maar het is ook het begin van meer toeristische activiteiten; diverse woningen worden als pension gebouwd of in gebruik genomen. George Ernst noemt zich na 1900 'koopman' en is betrokken bij de projectontwikkeling en pensionverhuur.

In een krant van 1896 lezen we dat George Ernst een kleine villa te huur aanbiedt aan de Oosterstoomtramweg (Utrechtseweg); kennelijk is er geld om in vastgoed te steken. Dat blijkt ook de volgende passage uit het boek van E.J.Demoed. "Tenslotte werd die gehele omgeving - de voormalige Wamels Enk - in 1898 door de klederbleker G. E. Veenendaal aangekocht teneinde de gronden aldaar als bouwterreinen te exploiteren" . De Wamels Enk is het gebied rondom Kastanjelaan en Kerkweg. Daarmee komt George Ernst o.a. in het bezit was van een aantal bouwpercelen aan de Kastanjelaan waar later huizen gebouwd werden (nr. 8 en nr. 6) en die jarenlang door nazaten van George Ernst bewoond geweest zijn.

Kastanjelaan omstreeks 1902
Advertentie 1903

Nog even over de Kastanjelaan 6 en 8.
Op 10 maart 1900 koopt oudste zoon Willem een perceel van 1000m2 aan de Kastanjelaan van zijn vader George Ernst voor f.1000,- .Op dat stuk grond liet Willem een huis bouwen, Kastanjelaan 8. Willem heeft zeker niet lang op Kastanjelaan nr. 8 gewoond. Aan het begin van de eeuw woonde hij op de hoek van de Ottoweg/Utrechtsestraatweg in het pension 'Casa Rusticana". Later begon hij de boekhandel op de hoek Utrechtsestraat/Kastanjelaan (in 1930 overgenomen door Simon de Jong en later Abe de Jong). Waarom Willem het perceel aan de Kastanjelaan kocht, is niet echt duidelijk.
Wat de rol van zus en zwager Willemina en Gerardus Renes is, is onduidelijk. In 1903 staat de naam van G.C.Renes onder advertenties voor de pensionverhuur aan de Kastanjelaan. Of zij ook aan de Kastanjelaan woonden of in een andere woning al dan niet van George Ernst totdat ze in 1914 naar Amsterdam verhuizen is niet duidelijk.
In juli 1906 neemt broer Jacobus het huis aan de Kastanjelaan van Willem over. Jacobus verhuisde in 1906 van Baarn naar Heelsum, en ging aan de Kastanjelaan wonen en functioneert als pensionhouder. Daar werden zijn drie laatste kinderen geboren, Hendrien, Agniet en Willem.
Het stuk grond was zo groot dat er een huis naast gebouwd kon worden, Kastanjelaan nr 6. Dat kwam in 1912 gereed, en werd later de werkruimte van Jakobus, die vanaf ‘Brievengaarder’ bij de PTT opklom tot Postkantoorhouder, wat hij tot 1941 zou blijven. De dochters Hendrien en Agniet bleven op de Kastanjelaan 8 wonen wat tot 1958 functioneerde als pension en tot september 1985 in bezit bleef van de familie Venendaal.
Tenslotte komen we de zwager van George Ernst en broer van Hendrina ook tegen als prille pensionhouder nl. als eigenaar van hotel-pension Schoonoord (nu Beekdal) aan de Utrechtseweg.

Ook op een heel andere manier blijkt de koopmans- en ondernemersgeest van George Ernst. Zo komen we de handtekeningen van G.E.Veenendaal in 1890 tegen als boekhouder van de Vereeniging de 'Kerkelijke Kas' te Renkum en Heelsum. In 1889 is hij hiervan lid geworden. Er worden op doordeweeks avonden diensten belegd uit onvrede met de toestand in de Nederlandse Hervormde (reglementen)kerk. Men wenst terug te keren naar de kerkenorde van 1618 (i.p.v. 1816) en naar de belijdenis der Vaderen: de Drie Formulieren van Enigheid. George Ernst' zoon Willem Hendrik die in 1889 geboren is, wordt ook niet in Heelsum of Renkum gedoopt maar in Wageningen bij een dolerende predikant. Op 24 oktober 1889 wordt door de kerkeraad ten aanzien van de bestuursleden - waaronder George Ernst Veenendaal - vastgesteld dat "de beklaagden openlijk eene betrekking van bestuur en beheer in de Ned. Geref.Kerk (dolerende) alhier hebben aanvaard.”Deze feiten moeten worden gekwalificeerd als “verstoring van orde en rust door lidmaten gepleegd in eene gemeente der Nederlandse.Hervormde Kerk.” Deze feiten “tonen met woord en daad ten duidelijkste dat men zich heeft afgescheiden van de Nederlandse. Hervormde Kerk; overwegende dat … bestaan om op beklaagden toe te passen de tuchtmiddelen bedoeld bij art. 4 Reglement Kerkelijk Opzicht en Tucht.” En “ontzet hen uit het lidmaatschap der Nederlandse Hervormde kerk.”

Maar George Ernst is niet alleen ondernemend maar soms ook opvliegend en eigenwijs. Zo komen we hem in de notulen van de Gereformeerde Kerk van 1897 tegen als diaken en lid van de kerkeraad. Als de kerkeraad op zondag 3 januari vergadert vraagt broeder G.E. Veenendaal tijdens de rondvraag het woord en deelt mee dat hij met broeder. A.Kroon Azn een geschil heeft. Dit leidde er toe dat broeder G.E.Veenendaal “in woedende drift de vergadering ontijdig verliet en bedankt om de betrekking van diaken langer te vervullen. Zonder gehoor te geven aan het verzoek van de praeses en de overige leden om zijn grieven in kalmte mede te deelen, verliet broeder Veenendaal de vergadering.” Na een gesprek en tekenen van berouw van George Ernst komt men hier op een volgende vergadering op terug waar George Ernst moet toestemmen dat hij zo niet had mogen handelen. "Broeder Veenendaal wordt bepaald bij psalm 141 vers 3: “Zet Heer, een wacht voor mijne lippen; behoedt de deuren van mijn mond, opdat ik mij tot genen stond, iets onbedachtzaams laat ontglippen.” Door al dat gedoe is er onvoldoende tijd voor de jaarrekening en daar gaat broeder Veenendaal met een commissie naar kijken.

 

Wilhelmina Janssen van de Laak - Buitenhuis (moeder Hendrina)

George Ernst Veenendaal en Hendrina Janssen van de Laak ca. 1870 George Ernst Veenendaal en Wilhelmina van Gelder

5.5. De familie Ve(e)nendaal

Laten we terugkeren naar het gezin van George Ernst Veenendaal en moeder Hendrina Janssen van der Laak. Het leven van Hendrina kan niet anders dan zwaar zijn geweest. In totaal 23 huwelijksjaren bevalt ze van 18 kinderen. Dat betekent dat ze meer dan de helft van al die jaren zwanger is geweest. Drie van die kinderen overlijden in hun 1e levensjaar en er overlijdt een op 2 jarige leeftijd. Vlak na haar 18e bevalling in 1891 komt moeder Hendrina te overlijden. Ze is dan 44 jaar. Haar moeder, Wilhelmina Buitenhuis, leeft dan nog steeds.
Binnen een jaar (15 september 1892) ziet George Ernst kans een nieuwe moeder voor zijn dan nog 13 thuiswonende kinderen te vinden. Hij hertrouwt Wilhelmina van Gelder, weduwe van Gijsbert Branderhorst. Overigens neemt Wilhelmina 2 kinderen uit haar eerdere huwelijk mee, de dan 9-jarige zoon Dirk Albertus (Bert) en de 7-jarige dochter Gerritje Gijsberta (Sijs). Dat kan natuurlijk geen probleem zijn gelet op de kinderschare die George Ernst al heeft; in plaats van 13 zitten er 15 kinderen aan tafel. Daarmee is Sijs net zou oud als haar nieuwe 'broertje' Dirk. Van deze 'tante Sijs' zullen we verderop ook nog horen.
George Ernst en Wilhelmina krijgen samen nog een dochter.
Bij al die geboortenakten en huwlijksakten zijn getuigen nodig. Het geeft enig inzicht in het relatienetwerk van George Ernst. Wat opvalt is een rijke verscheidenheid aan getuigen. Sommigen komen regelmatig terug zoals bos/veldwachter Mekking, timmerman Rothuizen, landbouwers Bekker en Hupkes, papiermaker Gerrit Schut en Gerrit van Maanen

Bij de kinderen van George Ernst moeten we wel even stilstaan. Want als we afgaan op het aantal kinderen van George Ernst en Hendrina dan kan niemand de aanwezigheid van dit gezin in het kleine Heelsum zijn ontgaan. Bijna jaarlijks deed het ritueel zich voor van een thuisbevalling, het optrommelen van enkele vrienden of buren als getuigen, de gang naar burgemeester baron Van Brakell om opnieuw een zoon of dochter in te schrijven. Daarbij ontstaat ook regelmatig verwarring ten aanzien van de spelling van de achternaam; sommige kinderen gaan hun leven verder met een dubbele 'ee' (Veenendaal) en anderen met een enkele 'e' (Venendaal). Bij een van de geboorte-akten wordt het zelfs expliciet genoemd dat de vader George Ernst Veenendaal is, ook wel Venendaal genoemd.



Oudste zoon is Willem Veenendaal, geboren 4 maanden na het huwelijk van zijn ouders. Hij koopt van zijn vader een perceel aan de Kastanjelaan maar begint het pension Rusticiana. Uiteindelijk wordt hij boekhandelaar in Heelsum. Deze boekhandel bestaat onder de naam fa. De Jong anno 2011 nog. De naam van Willem kom je nog vaak tegen als uitgever van oude ansichtkaarten van Heelsum. Pas op 40-jarige leeftijd trouwt Willem met Grietje Bakker.Voorzover bekend krijgen Willem en Grietje 2 kinderen, Rina en Jouk.
Op de foto hier links staat Willem en daarnaast Grietje met haar dochter Rina.

Oudste dochter Willemina is kennelijk vernoemd naar grootmoeder Willemijntje; pikant is dat als zij trouwt er sprake is van wettiging van een kind. Zij is zelf op 16 jarige leeftijd in het ouderlijk huis al bevallen van een dochter, enkele maanden nadat haar moeder het leven schonk aan nr. 14. Wilhelmina mag pas als ze bijna 21 is, trouwen met de vader van haar kind Gerard Renes - een timmerman uit Leersum, later ook bleker en koopman; kortom hij was ondanks het moeizame begin kennelijk toch nauw gelieerd aan zijn schoonvader. Het is niet helemaal duidelijk of ze voordat ze in 1914 naar Amsterdam verhuizen ook aan de Kastanjelaan (nr 8) in Heelsum wonen. Gerardus staat wel als contactadres voor pensionverhuur vermeld in advertenties. Zij krijgen 5 kinderen: Hendriena, Jan, Sophia, George Ernst (verdronken in de Rijn in 1911) en Trijntje.

Dochter Dirkje trouwt een Rik van Maanen, landbouwer. Volgens de notulen van de kerkeraad 'onder censurabele omstandigheden', kortom ze was zwanger. De familie Van Maanen woonde aanvankelijk aan de voet van de Noordberg bij Heelsum. Ten behoeve van de aanleg van de wegeninfrastructuur moest de familie deze plek verlaten. Dirkje en Rik woonden in de Kastanjelaan 31, later woonde hier hun dochter Mien van Maanen. (NB. aardig is het krantenberichtje uit1894 waarin wordt gemeld dat J.van Maanen een 1e prijs heeft en G.E.Veenendaal een 2e prijs bij de pluimvee-keuring van een haan en 6 kippen)

Jacob (Ko) Venendaal trouwt ook een Renes, Angenita uit Amsterdam, een nicht van zijn zwager; Jacob is aanvankelijk koetsier in Baarn waar hij Angenita ontmoet die in de huishouding werkt. Later is hij postkantoorhouder op Kastanjelaan 6. Ko en Angenita hebben 5 kinderen: George Ernst (zeevaarder en vertrekt naar Nieuw Guinea), Jaap (kantoorfunctie bij BPM Soerabaja), de tweeling Hendrina (werzaam bij J.P.Heijestichting Oosterbeek) en Angenita en Willem (winkel huishoudelijke artikelen Oosterbeek). De tweeling Hendrina en Angenita (Ita) wonen jarenlang op Kastanjelaan 8 en houden daar een pension; ook andere familieleden wonen in het dubbele woonhuis soms langer of korter. Angenita is pas in 2007 overleden op 100-jarige leeftijd, iets wat natuurlijk in Heelsum niet ongemerkt is gebleven.


Wouter (Wout) gaat verder als Veenendaal met dubbele 'ee'; hij trouwt iemand uit Ede, Dirkje Teunissen en gaat in Heelsum wonen aan de Patrimoniumweg. Aanvankelijk is Wout voerman, later bleker en dan arbeider en werkzaam als lantaarnopsteker in dienst van de gasfabriek. Wout heeft 8 kinderen die de volwassen leeftijd halen nl. Henny, Nico, Aaltje, George, Mien, Dolf (melkboer), Teut en Evert; de laatste begint 1 november 1936 kapsalon Veenendaal in Heelsum, die wordt overgenomen door zijn zoon Ries en die anno 2012 nog bestaat en gerund wordt door dochter Nicola.

Everdina (Eef) trouwt met een typograaf Pieter Wolf in 1908. Ze is in Renkum blijven wonen toen haar vader naar Epe ging. Het is de eerste van een reeks huwelijken met de familie Wolf in Amsterdam. Drie jaar later trouwt haar broer Dirk Veenendaal met de zus van Pieter, Cornelia Wolf. Over Dirk komen we nog uitgebreid te spreken. Na het overlijden van Everdina op relatief jonge leeftijd hertrouwt (1916) Pieter Wolf met een jongere zus van zijn vrouw, Gerarda Alberta (Ger). Na het overlijden van Pieter verhuist Ger met haar vriendin Gré naar Den Haag. Tenslotte is er nog een 4e verbintenis met de familie Wolf want als oudste dochter Willemina Veenendaal overlijdt, hertrouwt (1923) weduwnaar Gerard Renes met een nicht van Pieter en Cornelia Wolf, Catharina Wolf. Zo zijn de families Veenendaal, Renes en Wolf nauw aan elkaar gelieerd geraakt (zie ook cornelia)

Hendrina (Riek) Veenendaal blijft ongetrouwd en zal later in Epe met haar stiefzus Sijs in Epe een manufacturenwinkel runnen.

Catharina (Cato) vindt als echtgenoot een bode en trouwt als ze 30 is, deze Wichert Bruinink in 1914 in Epe. Later verhuizen ze naar Den Haag.

Van Johanna Hermina Veenendaal is vooralsnog niets bekend.

Willem Hendrik (Henk) Veenendaal vertrekt in mei 1921 (volgens het bevolkingsregister) uit Epe naar Italië. Hij is dan 32 jaar. Hij trouwt met Wanda (of Walda), wellicht een Zwitserse. Het is niet duidelijk wanneer hij voor het eerst weggaat. Het verhaal gaat dat hij aanvankelijk om gezondheidsredenen naar Davos in Zwitserland ging. Maar later woont hij in Lamone/Bedano nabij Lugano het pension Casa Juliana. Afgaande op de bijgevoegde foto hebben ze 2 kinderen.

Geertruida (Truus) Veenendaal is een dochter van George Ernst en zijn 2e vrouw Wilhelmina van Gelder. Zij overlijdt al vroeg op 17-jarige leeftijd in Epe.


 

5.6. Naar Vaassen en Epe

In 1901 noemt George Ernst zich geen bleker meer maar 'koopman'. In 1902 woont hij nog in Doorwerth want op 11 augustus 1902 is er nog sprake van een getekende nota door de boekhouder van de kerkelijke kas genaamd G.E.Veenendaal. Maar in juni 1905 vestigt hij zich in Arnhem aanvankelijk aan de Graaf Lodewijkstraat 200 en later aan de 2e Spijkerdwarsstraat 16. Het is van korte duur want een jaar later, augustus 1906, verhuist George Ernst naar Vaassen waar hij gaat werken voor de nieuwe instelling 'De Ganzenemmer'.
Dat hij naar Vaassen verhuist is op het eerste gezicht niet zo vreemd. Zo zijn er vast relaties geweest met de familie Pannekoek - de oude papiermakers - die naar Vaassen verwijzen. Hetzelfde geldt voor de familie Van Delden van wie hij de Drieskamp ooit kocht. (NB. ook in Vaassen bestond een molen - thans camping - de Drieskamp). Maar belangrijker nog is misschien de rol geweest van filantroop graaf Limburg Stirum uit Oosterbeek - een oude bekende. Limburg Stirum behoorde tot de oprichters van de "Vereeniging tot Christelijke verzorging van bedelaars en landopers". Tot de doelgroep van de vereniging behoorden ook de zgn. 'idioten' (zwakzinnigen); in die zin illustreert de vereniging het begin van de zwakzinnigenzorg in Nederland.We kennen deze vereniging vooral van de Stichting Het Hoogeland in Beekbergen. (Indertijd werd voor Beekbergen gekozen omdat in Ermelo instellingen als Veldwijk en 's Heeren Loo niet meewerkten). Maar in het voorjaar 1905 startte de vereniging een instelling in Vaassen met de aankoop van de boerderij De Ganzenemmer (een verbastering van de historische naam Ganzenebbe) met J. Wilbrink als directeur. De boerderij Ganzenemmer functioneerde als een werkinrichting voor landlopers, landlopers en ex-gedetineerden.
Van de Stichting Het Hoogeland (en daarmee ook van de Ganzenemmer) wordt het volgende gezegd: "de arbeid die verricht wordt is in hoofdzaak veld- en tuinarbeid alsmede boerenwerk; ook worden omliggende heidegronden ontgonnen. Een ander deel der mannen is met huiselijke werkzaamheden bezig, terwijl personen die het schoenmaken, kleedermakers- en timmermans-vak verstaan, daaraan arbeiden. (.....) De opbrengst der boerderij wordt voor zoover niet noodig voor het huishouden verkocht ten bate der stichting. Van de opbrengst van de verkoop van gecultiveerde gronden worden nieuwe ongecultiveerde gronden gekocht.'
En het werk van de 'verpleegden' wordt in een artikel van Ampt Epe als volgt omschreven: "..ze zijn voortdurend bezig .. de dorre velden in cultuur te brengen...Het is een lust de zwervers.. aan het werk te zien, verkwikkend ook hunne avondbijeenkomsten bij te wonen..De deels verwaarloosde, deels totaal verwilderde velden waarop slooten, afwateringskanalen, kortom alles ontbreekt vereischen enorme werkkracht, terwijl de arbeid met beperkte middelen, zoo zuinig mogelijk moet geschieden.
De boerderij lag ongeveer op dezelfde plek als de huidige afslag Vaassen van de A50. Op de foto is te zien dat er naast de boerderij aparte huisvesting voor de bewoners is gebouwd.
George Ernst vervulde de functie van opzichter of landbouwopzichter. Landbouwopzichters verdienden in die tijd zo'n f76 per maand (vergelijkbaar met kappers, drukkers, bakkers etc). In de periode 1907 tot 1910 komen we George Ernst dan ook regelmatig in krantenadvertenties tegen waar hij de Ganzenemmer vertegenwoordigt bij verkoop van landbouwopbrengsten van percelen van de Ganzenemmer. In 1911wordt De Ganzenemmer echter verkocht; op 15 mei 1912 stopt Wilbrink als directeur, misschien het moment dat ook George Ernst de Ganzenemmer verlaat?. In 1919 wordt het geheel in 34 percelen geveild.
Dat maakt George Ernst dus niet meer van nabij mee; in de loop van 1913 verhuist hij naar Epe . In Epe begint hij voor zijn dochter Riek en stiefdochter een manufacturenwinkel die later bekend staat onder de naam Veenendaal-Branderhorst. In Epe zullen ze nog ruim 15 jaar wonen. In 1927 overlijdt Wilhelmina, 73 jaar oud; twee jaar later in 1929 overlijdt George Ernst, 84 jaar oud.

 


De Ganzenemmer

locatie Ganzenebbe te Vaassen

 

 

Apeldoornsche Courant 30 juli 1910

 

 

George Ernst (links) als opzichter met zijn personeel ‘Op de Ganzenemmer’.

 

George Ernst in de tuin in Epe



Dirk, de verhuizer

Hoe ziet je jeugd eruit als je vader en moeder druk zijn met hun bedrijf en je bent de 13e in de reeks van kinderen? Dat is een beetje de positie van Dirk. Niet alleen is hij de 'zoveelste', ook zijn naam is niet erg origineel want hij heeft al een 10 jaar oudere zus met de naam Dirkje. Het is de naam van de vader van Hendrina, Derk Janssen van de Laak. Het kan dan haast ook niet anders of Dirk heeft al vroeg voor zichzelf moeten zorgen en voor zichzelf moeten opkomen. Hier ligt ongetwijfeld de kiem van de soms wel strenge en eigenzinnige man die hij later zou worden. Zijn dochters spraken hem later aan met 'vader' en daarin proef je het respect.
Hoe Dirk precies Doorwerth verlaat, is niet bekend. In 1905 moet hij loten voor de nationale militie maar hij hoeft niet in diens. Bekend is dat hij op 23-jarige leeftijd (oktober 1908) in Amsterdam korte tijd intrekt bij zijn zus Everdina die pas getrouwd is met Pieter Wolf en aan de Ruysdaelstraat 62 woont. Hij is dan winkelbediende en komt uit Alkmaar; kennelijk heeft hij daar enige tijd gewoond. Daarmee behoort Dirk tot de grote bevolkingsgroep die eind 19e en begin 20e eeuw naar de grote stad trekt.
Zwager Pieter is typograaf en het is denkbaar dat Dirk voor hem gaat werken of zelf een handeltje begint. Volgens een aantekening op zijn persoonskaart gaat Pieter of Dirk failliet en in mei 1909 vertrekt Dirk naar Den Haag om daar als winkelbediende c.q. kruidenier te gaan werken; hij gaat dan wonen aan de Weimarstraat 193. Daarmee wordt ook de ontwikkeling van die tijd geïllustreerd. Er is sprake van een opkomende middenstand en de bevolking in de grote steden ontwikkelt zich explosief. De wijken die de Weimarstraat doorkruist - Regentesse- en Valkenboskwartier - zijn de eerste wijken die in het begin van de 20e eeuw buiten de Haagse grachtengordel worden aangelegd. De Weimarstraat ontwikkelt zich al gauw tot dè winkelstraat van Den Haag en de buurt staat bekend als 'gegoede buurt'. Sindsdien heeft de Weimarstraat perioden van bloei en verval gekend; maar de gerenoveerde woningen staan er netjes bij en nog altijd is het een straat waar de tijdgeest van kan worden afgelezen. (zie o.a. voor tv-documentaire http://www.ncrv.nl/ncrv?nav=uuuoaDsHtGATmKnJkkBfkB).


trouwfoto Dirk en Cor 1911
Weimarstraat 1912 nrs. 191-173


Het is in deze 'Haagse periode' dat Dirk in 1911 trouwt met de jongere zus van Pieter Wolf, Cornelia uit Amsterdam. Het is 31 augustus en dus koninginnedag; ze trouwen in Amsterdam waar beider famililies wonen. Volgens de huwelijksakte is Dirk dan 'kruidenier'. Getuigen zijn broer Pieter Wolf, neef Nicolaas Wolf, oom Piet van Zalinge en broer Jacobus Venendaal. Al spoedig hebben ze 3 dochters: in 1913 wordt Hendriena Wilhelmina (Rina of Ina) geboren, in 1914 volgt Cornelia (Cor) en in 1915 Everdina (Eef). Maar bij de geboorte van de laatste dochter wonen Dirk en Cornelia al weer in Amsterdam. De 'Haagse periode' heeft voor Dirk niet veel meer dan 5 jaar geduurd.
Of het een verplichte verhuizing is of een wens weer naar Amsterdam te gaan, is niet duidelijk. Het eerste ligt voor de hand. In de zomer van 1914 werd de grens- en kustbewaking gemobiliseerd. Onzekerheid was troef; geruchten deden de ronde dat papiergeld waardeloos zou zijn en er volgde een run op de banken. De werkloosheid nam snel toe. In de grote steden had men de handen vol aan de zorg voor toevoer van levensmiddelen en brandstof zeker met het oog op de naderende winter. En na het bombardement van Antwerpen kreeg men te maken met ca. een miljoen Belgische vluchtelingen. Gelet op deze omstandigheden is het zeer voorstelbaar dat de kruidenierswinkel waar Dirk werkzaam was het niet kon bolwerken. Het ligt voor de hand dat Dirk en Cornelia terugkeerden naar Amsterdam waar al hun familie en relaties woonden en waar men elkaar hulp kon bieden.
Zo begint direct na kerst en oudjaar 1914 een verhuistocht door Amsterdam. Op 20 januari 1915 gaan Dirk en Cornelia wonen op de hoek Keizersgracht/Reestraat in de Jordaan (Reestraat 1-huis), zo op het eerste gezicht een prominente lokatie en Dirk is dan ook nog steeds van beroep winkelier. Eef wordt gedoopt in de Jordaanse Bloemgrachtkerk. Maar twee jaar later - 5 juli 1917 - verhuizen ze naar de Van Ostadestraat 158-III in de Pijp. Een half jaar later in januari 1918 verhuizen ze naar de eerste woonbebouwing in Amsterdam-noord, Grasweg 11a. Anderhalf jaar later volgt de Oleanderstraat 16 en dan in 1923 de Van der Pekstraat 72 en in 1927 Van der Pekstraat 56. Al met al is het een onrustige en onzekere tijd voor een jong gezin met 3 kinderen, want als ze in de Van der Pekstraat komen wonen is Ina pas 10, Cor 9 en Eef 8 jaar oud.


Reestraat/Keizersgracht

Verbindingsstraat-Van Ostadestraat
Grasweg

Oleanderstraat

Van de Pekstraat

Amsterdam-noord vertoonde rond 1900 alle kenmerken van een stadsrand. Verschillende bedrijven waren er gevestigd. Temidden daarvan lag de Grasweg. Tot 1916 was aan de Grasweg een woonwagenkamp gevestigd. Toch was dit het gebied ten noorden van het IJ waar de grond goedkoop was en de groei van de bevolking zou moeten worden opgevangen. De eerste wereldoorlog hield massale woningbouw eerst nog tegen maar toch werd al in 1914 begonnen met de Vogelbuurt en in 1921 met de Van de Pekbuurt.
Hier kon je woningen met betaalbare huren bouwen voor arbeiders. Arie Keppler (en zwager van wethouder Wibaut), de eerste directeur van het Gemeentelijke Woningbedrijf, ontwierp samen met zijn grote vriend en bekwaam architect J.E. van der Pek een prachtig plan voor een deel van de Buiksloterham. Het ging om het gebied ten westen van het Groot Noordhollandsch Kanaal, zoals dat water officieel heet. Het werk werd in familie verband voorbereid. Louise Went, de echtgenote van de architect, bedacht de interieurs.
De nieuwe buurt kreeg reeds bij de eerste paal die de grond inging, de naam die het nog steeds heeft. De woningen werden niet alleen gebouwd voor de oplossing van het krottenprobleem in de hoofdstedelijke Jordaan. Hoge ambtenaren van het rijk en de gemeente trokken over het IJ naar die prachtige huizen met veel frisse lucht. De latere sociaal-democratische voorman Koos Vorrink woonde er naast een aantal leraren uit het middelbaar onderwijs.
Met de buurt groeide ook de voorzieningen. Er kwam een postkantoor in de Van der Pekstraat en later volgden er filialen van grote winkelbedrijven. De grote strijd om de hegemonie als winkelpromenade tussen Hagedoornweg en Van der Pekstraat moest nog beginnen. De Hagedoornweg kwam later gereed en die heeft het uiteindelijk gewonnen, waarschijnlijk door haar intimiteit. Deze straat was smaller en had brede trottoirs, waarop zich al spoedig een soort huwelijksmarkt ontwikkelde. Alles wat jong was in dit prille Noord, trok hier direct naar toe. 's Avonds en in de weekeinden was het een grote pantoffelparade. Het was er altijd 'bere'gezellig. 'Vet' zouden jongeren nu zeggen.

 


Cor en Eef met moeder Cornelia aan de Van de Pekstraat 56 ; inzet rechts is oudste dochter Rina

Werkte Dirk aanvankelijk nog als winkelier, in de Van de Pekstraat heeft hij een verhuisbedrijf. Gelet op de vele verhuizingen van zijn eigen gezin zou je kunnen spreken van een 'ervaringsdeskundige'. Op het bordje naast de deur staat prominent geschreven 'D.Veenendaal Verhuizingen Pianovervoer'. En later is daar kennelijk aan toegevoegd 'Telefoon 60644'. Kennelijk gaat het goed van de Van de Pekstraat is een eerste klas locatie, Dirk beschikt al over een automobiel en ook over telefoon. Bovendien doet het pand vermoeden dat er ook nog iets van een winkel wordt gedreven.
Voor school was men wel aangewezen op de overkant en dus moesten Eef, Cor en Ina elke dat met de pont en verder lopen naar de Keizersgracht (chr lagere school op nr.41?). Legendarisch zijn de verhalen over Ina die de tijd op de pont gebruikte om strafregels te schrijven; kennelijk was ze niet de gemakkelijkste leerling en voegde ze zich niet naar de ongetwijfeld strenge en strakke regels. Overigens gold dezelfde orde ook thuis; vader Dirk heeft ook vast zijn dochters niet toegestaan mee te doen aan de 'pantoffelparade' aan de nabijgelegen Hagedoornweg. Jongemannen kregen bij zijn dochters niet veel kans. Dat ze toch niet onaantrekkelijk zijn, bewijzen de foto's. Van de 3 dochters heeft de oudste - Ina - een aardje naar haar vader; ze is minstens zo eigenzinnig en het botst dan ook regelmatig tussen die twee. Als ze net 17 jaar is (mei 1930) wordt besloten dat ze 'in betrekking' gaat bij haar tantes in Epe op de Veluwe, die daar een winkel hebben en wel hulp kunnen gebruiken. Ongetwijfeld is het een ingrijpende stap voor zo'n jong meisje maar aan de andere kant heeft Ina in haar jonge leven zelden langer dan een paar jaar op dezelfde plek gewoond en ze is dus wel wat gewend.

Eef
Rina
Cor
 
Eef........................................Rina........................................... Cor

Dan breken de crisisjaren aan met de beurskrach in 1929. Voor het gezin Veenendaal is het een crisis in dubbel opzicht. In 1935 overlijdt moeder Cornelia - pas 49 jaar oud - en laat aan de Van de Pekstraat haar man en 2 jonge vrouwen achter. Cor en Eef zullen meer dan 25 jaar voor hun vader zorgen; en 'vader' Veenendaal waakt over zijn volwassen dochters alsof het kinderen blijven.
De economische crisis treft in bijzonder de groep kleinste middenstanders die zich met hard werken een bestaan verwierven maar van wie de financiele draagkracht beperkt was. Voor voorschotten uit het zgn. borgstellingsfonds kwamen ze niet in aanmerking en evenmin voor kredieten voor middenstandsbedrijven. Pas na 1937 kwam er voor hen wat hulp. In hetzelfde jaar werd ook het middenstandsdiploma ingevoerd voor degenen die een winkel wilden beginnen. Maar voor velen kwam het herstel te laat. Dat gold ook voor het verhuisbedrijf van Dirk. Bovendien moeten ze het huis aan de Van de Pekstraat verlaten. Opnieuw is de oplossing een kortstondige inwoning, nu bij de familie Stobbe aan de Oostzaanstraat 35. Sybrand Stobbe is klerk en getrouwd met Trijntje Renes, een nicht van Dirk (en eigenlijk, gelet op stiefmoeder, ook een achternicht van Cornelia). Gelukkig vindt Dirk weer werk als kantoorbediende en na 9 maanden wordt een woning betrokken aan de Fagelstraat 29 en pal voor het uitbreken van de 2e wereldoorlog (april 1940) verhuist Dirk met zijn dochters naar de vlakbij gelegen Catskade 47. In 30 jaar tijd heeft Dirk op 9 adressen in Amsterdam gewoond maar aan de Catskade komt een einde aan deze verhuisreeks.

Oostzaanstraat
Fagelstraat
Jacob Catskade
 
Opening brug Catskade 1954

De Spaarndammerbuurt waar de Oostzaanstraat in ligt behoort tot het zgn. uitbreidingsplan Kalff waartoe de gemeente in 1877 besloot. Ook Staatsliederenbuurt en Hugo de Grootbuurt - met bijvoorbeeld de Catskade - waren daar onderdeel van. De molenbuurt achter de Haarlemmerpoort moest er voor wijken evenals de wildgroei aan bedrijfjes langs de Kostverlorenvaart. Het planontwerp volgt in grote lijnen het bestaande patroon van sloten en paden in de polder zodat de bouw alleen afhankelijk is van vrijkomen van bestaande kavels. Centraal ligt de verbrede Kostverlorenvaart en de 'ceintuurbaan' om de stad die hier Frederik Hendrikstraat heet. Het plan behoorde tot de eerste grote uitbreidingen buiten de wallen van Nassaukade en Stadhouderskade. Onder bezielende leiding van wethouder Wibaut moeten hier paleizen voor arbeiders worden gerealiseerd. Vooral in de Spaardammerbuurt ontstaan prachtige voorbeelden van de zgn. Amsterdamse School. Maar het is ook de buurt met de bijnaam 'moord- en brandbuurt'; menigmaal is de buurt de brandhaard van opstand (bijv. spoorwegstaking 1903, aardappeloproer 1917, driedubbele moord 1925). De Staatsliederenbuurt heeft een betere naam; veel bewoners hier zijn ambtenaar en dragen uniformen, vandaar de bijnaam 'Koperen Knopen Buurt'. Maar ook in deze buurt is het soms onrustig zoals tijdens de strijd tegen de massale werkloosheid in de crisisjaren (Jordaanoproer 1934). En tijdens de 2e wereldoorlog richt het verzet zich tegen de bezetter zoals tijdens de Februaristaking in 1941 als bewoners in de buurt de trams tot stilstand dwingen en het tramverkeer lamleggen. De oorlogsjaren zijn natuurlijk zware jaren met regelmatig missers van bommenwerpers die de woonbuurten bedreigen. De houten schuilgangen zoals op het Frederik Hendrikplantsoen bieden maar weinig bescherming. En tenslotte is er de hongerwinter waarbij ook Dirk net als veel buurtbewoners de polder intrekt voor voedsel met het risico dat het op de Haarlemmerweg wordt afgenomen omdat voedsel alleen via de veiling mag worden verkocht. Uiteindelijk wordt ook in het gezin Veenendaal alles wat maar mogelijk is gegeten, tot aan de zoete weeïge bloembollen toe.

Waarschijnlijk behoren de naoorlogse jaren aan de Catskade - samen met de jaren aan de Van de Pekstraat - tot de meest gelukkige van het leven van Dirk Veenendaal. De naweëen van een ongeluk op de Rotterdammerbrug en een chronische maagzweer zijn hinderlijk maar samen met zijn dochters woont hij op een prachtige locatie aan de Kattensloot met drukke scheepvaart. De tijd wordt gevuld met knutselen en lezen. En nog steeds is het 'vader' die dominant is in huis. Maar voor zijn kleinkinderen heeft hij altijd wel tijd. Eef verdient de kost als 'kinderjuffrouw' en is daarvoor vaak uit huis. Cor verdient wat bij als huishoudelijk hulp en handwerk (Arbeid adelt) maar een belangrijke bron van inkomsten is toch vooral de verhuur van kamers aan kostgangers. Veel van die kostgangers komen van buiten de provincie (vaak Groningen of Friesland) en werken bij politie of gemeentelijke vervoerbedrijf. Maar kamerverhuur biedt niet alleen inkomsten, het leidt er ook toe dat de Catskade soms een sociale ontmoetingsplaats is van tal van jonge mensen en bijkomende logés. Ook Rina - inmiddels getrouwd met Mijndert Kruis - is daarbij vaak van de partij. Voor velen van hen is 'de Catskade' een begrip en daar liggen dierbare herinneringen.


Eef Veenendaal en Geert Pater
November 1963 overlijdt Dirk Veenendaal, 78 jaar oud. Cor en Eef blijven samen achter. Maar het lijkt wel of Eef zich als het ware bevrijd voelt van haar vader. Want enkele jaren na zijn overlijden trouwt ze - dan al 51 - met Geert Pater. En het lijkt wel een beetje of ze daarmee een stap terug zet in de familiegeschiedenis. Immers Geert Pater komt uit Barneveld en heeft een groot gezin van 13 kinderen.
Cor blijft achter met haar kostgangers. Maar geleidelijk raakt 'in de kost zijn' uit. Maar een kamerbehoevende nicht en neef kunnen natuurlijk bij haar terecht. Maar ook Cor kan nu haar eigen leven leiden. Illustratief daarvoor is misschien wel de uiting van haar stille overtuiging door deelname aan de vredesdemonstratie in 1981, iets waarover haar zusters en zwager - en ongetwijfeld ook haar vader - niet zouden piekeren. In 1984 overlijdt ook Cor en komt er een einde aan het hoofdstuk 'Catskade

 

De winkel Veenendaal-Branderhorst

Na het uitstapje naar Amsterdam met Dirk Veenendaal pakken we de draad toch nog weer even op bij vader George Ernst en moeder Wilhelmina. De Eper Courant weet te melden dat op 15 oktober 1912 de riante villa en tuin met toebehoren van de erven Freule van de Feltz zijn geveild. De tuinmanswoning perceel 2 en 3 aan de Dorpsstraat/Hoofdstraat wordt gekocht door E.Bruins uit Apeldoorn voor f.2770,- E.Bruins was directeur van het Apeldoorns Bioscooptheater en dus verwachtte men dat er een theater zou komen. Niets bleek minder waar want deze Bruins kocht het voor George Ernst Veenendaal uit Vaassen. Na afbraak van de tuinmanswoning wordt hier de winkel "Au Bon Marché'" gebouwd die wordt gedreven door Sijs Branderhorst en Riek Veenendaal. Riek is de dochter van George Ernst; Sijs is de dochter van Wilhelmina van Gelder. Vlak langs het huis loopt de oude dorpsbeek maar die wordt rechtgetrokken waarna ook hier een huis wordt gebouwd. Maar wat moeten we denken van de anonce in de krant van juni 1913? Ging het niet goed dat het winkelhuis moest worden geveild? Of was er sprake van 2 panden waarvan er een is verkocht? In ieder geval werd de winkel "Au Bon Marché" toen niet verkocht.


Hoofdstraat 1907: links waar de dorpsbeek een bocht maakt staat de oude tuinmanswoning; perceel 3 en 2 gekocht door G.E.Veenendaal in 1912

De overstap van een aanvankelijk beroep als bleker naar een manufacturenwinkel is misschien ook niet zo groot. Immers bij een blekerij is ook sprake van kennis van stoffen, verstelwerk waar nodig en natuurlijk een handelsgeest. Aan de andere kant waren er veel ambachtslieden die begin 20e eeuw een winkel begonnen; het was de tijd dat de middenstand zich ontwikkelde. Toch zal de start niet gemakkelijk zijn geweest want economisch was de tijd van de eerste wereldoorlog niet geweldig. Daarna breekt er een betere tijd aan met de 20-er jaren. De winkel staat vooral bekend als de winkel Veenendaal-Branderhorst. Riek (Hendrina Veenendaal) en Sijs (Gijsbertha Branderhorst) zijn de drijvende krachten. De winkel kent een fraai uithangbord waarop met sierlijke letters geschreven staat "Handwerkkonst en Breigherei van Veenendaal-Branderhorst"


Hoofdstraat 1938: links winkel Veenendaal-Branderhorst; 1936 Sijs Branderhorst en Riek Veenendaal; 1952 Rina en Mijndert met dochter Corrie.


In 1929 overlijdt George Ernst op 84-jarige leeftijd. Sijs en Riek zetten de zaak voort en krijgen korte tijd later hulp van hun nicht Rina, de oudste dochter van Dirk Veenendaal uit Amsterdam. Ondanks haar jeugdige leeftijd van 17 jaar krijgen de tantes daarmee een flinke steun. Rina behaalt ook het in die tijd ingevoerde middenstandsdiploma en zorgt zo voor de benodigde papieren. Haar tante Sijs is de vriendelijke en zachtmoedige tante met veel inlevingsvermogen; haar tante Riek daarentegen is een echte Veenendaal, eigenzinnig en rechtlijnig. Rina raakt al gauw helemaal ingeburgerd in Epe door actieve deelname aan het rijke gereformeerde verenigingsleven waaronder het zangkoor Halleluja. Praktisch en hulpvaardig ingesteld staat ze voor veel mensen klaar. Als aan het einde van de 2e wereldoorlog familieleden moeten evacueren uit Doorwerth en omgeving wordt aan de Hoofdstraat onderdak geboden. Van dichtbij maakt Rina mee hoe binnen haar kennissenkring vlak voor de bevrijding Aaltje van Eek overlijdt en haar man Mijndert Kruis met zijn dochter Berta achterblijven. Mijndert kent ze o.a. van de zangvereniging en het kerkelijk leven. Ook hier biedt ze haar hulp aan; in 1947 leidt dat tot een huwelijk. Mijndert en Rina gaan bij de tantes aan de Hoofdstraat wonen waar nog twee dochters en een zoon worden geboren. De periode na de bevrijding is er een van uiteenlopende emoties. De winkel loopt niet zo goed; koopgewoonten zijn naar de oorlog veranderd en er moet eigenlijk fors geinvesteerd worden. De tantes zijn op leeftijd. En ook voor Mijdert - die als boekhouder bij de Fordgarage werkt - en Rina - die na 25 jaar in de winkel te hebben gestaan steeds meer aandacht kwijt is aan haar uitbreidende gezin - ligt de verdere toekomst niet in de winkel. Nadat Riek in 1952 is komen te overlijden wordt besloten de winkel van de hand te doen. In 1956 neemt Veldkamp de winkel over; nog later gaat het pand over naar fam Zwart en wordt er een HEMA in gevestigd. Rina en Mijndert gaan in de Brinklaan wonen; daar wordt de jongste zoon geboren. Rina is dan inmiddels 44 en zeker geen prille moeder meer. Omstreeks 1962 wordt Rina benaderd door Jo Wierdsma van de textielwinkel WIBRA die ambities heeft om te groeien en in Apeldoorn aan het Ordenplein een tweede winkel wil beginnen. De WIBRA komt o.a. voort uit de eerdere manufacturenwinkel van zijn schoonouders, ook gevestigd aan de Hoofdstraat en dus een voormalig concurrent. Jo zelf en zijn familie komen echter uit Lemmer, dezelfde oorsprong als Sake Kruis, de vader van Mijndert. Kortom er is sprake van bijzondere relaties. Dat Rina - met haar middenstandsdiploma - daarmee een tweede carriere begint en aan het begin komt te staan van een onderneming die uit zal groeien tot ruim 230 vestigingen kon niemand toen bevroeden.
Tante Sijs blijft bij de familie inwonen ook als ze naar Apeldoorn verhuizen. Ze is inmiddels op hoge leeftijd, heeft diverse hartinfarcten overleefd, en blijft de wijze en zachtmoedige tante. Haar belangrijkste tijdverdrijf is handwerken en alle familieleden en schoonfamilie zit ruim in de pannenlappen. Op zaterdagmorgen 4 december 1963 overlijdt ze in haar slaap.
Rina zal nog jarenlang actief zijn in de winkel. Pas als Mijndert met pensioen gaat, vindt ze het - 67 jaar oud - ook wel tijd om te stoppen. In de Apeldoornse wijk Orden is ze dan allang 'de mevrouw van de Wibra"! Maar al die tijd blijven ze boven de winkel wonen. Ook in een ander opzicht is daarmee de cirkel rond want ze wonen daar tegenover een oude wasserij Helderoord; dat doet toch weer denken aan grootvader George Ernst. Helaas lijdt Rina aan afasie. Nadat Mijndert is overleden, verhuist ze naar verzorgingstehuis De Beekwal in Eerbeek en later naar Randerode in Apeldoorn. In 1991 overlijdt ze.

..............

 

 

 

 

 

 

 


Hoofdstraat anno 2010

 

Met dank aan speurwerk van George Ernst Venendaal (Ede) naar de geschiedenis van Jacob Venendaal
Met dank aan speurwerk van Johan Langeraar naar de geschiedenis van Willemina Veenendaal ('Kruimels zijn ook brood')

A.J.van der Aa; Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, 1843
Henk Blok; Kris kras door oud Epe, 1991
Aleid W. van der Bunt; Dorenweerd van heerlijkheid tot dorp, Renkum 1974
R. Bisschop; Een tweeling zelfstandig, Stichts en Gelders Veenendaal in de Bataafse-Franse tijd 1795-1813, Veenendaal 1995.
E.J.Demoed; "Van een groene zoom aan een vaal kleed". De geschiedenis van de dorpen Oosterbeek, Wolfheze, Doorwerth, Heelsum en Renkum; Oosterbeek 1953, herdruk Arnhem 1965
Cees Gerritsen; De Fonteinallee herleeft, Oosterbeek, 2007
A.C. van Grootheest, R. Bisschop; Geschiedenis van Veenendaal, Veenendaal, 2000
D.van Manen; Aanzienlijk vlek in 't Stichtse; Veenendaal, 2001
H.W.M. Plettenburg; De Blekerij; Arnhem, 1963
Piet Richter Gzn.; Renkum en Heelsum in oude ansichten; Zaltbommel 1975.

F.Schumacher; d'Ganzeneb/Ganzenebbe/de Ganzen Emmer; Ampt Epe nr. 98 / 1992
Vereeniging "Oud Ede"; Geschiedenis van Ede; Ede, 1933/ongewijzigde herdruk Arnhem, 1980